Humpty Dumpty

Op dit stukje heb ik zelf ook een tijdje moeten wachten, het wilde er maar niet uit. Vaak begin ik pas te schrijven als ik de kern hoor klinken in mijn hoofd.

Tijdens een diner sprak ik met een schrijver, eentje van het serieuze soort. Of hij dat versje Humpty Dumpty kende, vroeg ik hem. Soms klinkt het ritme daarvan namelijk onwillekeurig door in de zinnen die ik schrijf; een paar aanloopje-nemende zinnen waar vaak een herhaling in zit, gevolgd door een afwikkelend exemplaar waarbij in éen (lange) ademtocht duidelijk moet worden waar het om gaat. De schrijver kende het versje wel, maar zoals hij het citeerde meer als een zeurend kind. Hoezo ‘zinnen die klinken’ dacht hij misschien; waar heeft ze het over. Zinnen staan toch op papier…?

*

Een dag later bezocht ik een klein museum, het oude huis van Dalí. Een vriendelijk fortje omgeven door bomen, een wit kasteeltje tegen een strakblauwe lucht. Volop olijfbomen in de tuin; zo bovenop de heuvel ruisen ze hard. En er staan reusachtige hoofden, poppen en eieren te poseren tussen al dat groen-en-wit.
  Ik probeerde dat alles natuurlijk kunstig te interpreteren: wat betekent toch die slang die daar in de bosjes langs het piemelvormig zwembad ligt? Waar had Dalí trouwens zo’n lange gekleurde maillot op de kop getik? En over op de kop getikt gesproken vroeg ik me af wat de kunstenaar toch met eieren had gehad.

Belofte
Een ei… een ding waar iets uit moest komen. Als je het mij vroeg kon dat eigenlijk álles zijn wat ik zou willen dat het zou worden. En zolang het ei heel was, was eigenlijk alles nog mogelijk. Ja, zolang de schaal nog niet was gebroken bleef ook de belofte in tact – de belofte dat er altijd wel iets uit zou komen.
  Dus, een ei stond daar. Puntgaaf. Bovenop een muur.
  En weet je wat ik me (pas) realiseerde op het moment dat ik dit zag?
  Humpty Dumpty was een ei.
  Humpty Dumpty, waar ik het gister nog over had, was een ei – dat brak.

Wanhoop, wantrouwen
Frustratie, zo vertelde de schrijver mij tijdens het diner, was in zijn werk aan de orde van de dag. Naast de geest van Philip Roth was ook de wanhoop hem meestal nabij; literatuur schrijven moest per definitie moeite kosten, dus zo moest het schrijverschap volgens hem ook zijn.
  Het gevaar voor beginnend schrijvers is je mooie vondsten voorbij te schrijven, zo zei hij. Hij wees daarbij naar dat stukje chocolademousse op mijn reeds terzijde geschoven bord. 
  ‘Kijk hier nou ‘es naar, en beschrijf het maar! Wat is het, en waarom ligt het daar zo?’ En ik begreep precies wat voor ’n verhaal het zou kunnen vertellen, zo’n versmaad hapje choco-mousse. …En waarom moet er ook altijd zo “roman” worden gedacht, vond hij; ‘ieder hoofdstuk verdient het een verhaal op zich te zijn!’
  Verder vond hij dat je teksten die je zó uit je mouw hebt geschud (zoals hetgeen ik hem had laten lezen), per definitie wantrouwen moest. Schrijven, -goed schrijven, bedoelde hij- ‘het móét echt een inspanning zijn.’

Maar de plaats waar de schrijver in mij huist, ligt aan een andere kant dan de ‘wan’.   
  ‘Ach ja,’ berichtte ik hem dan ook luchtig, ‘nu is het nog schrijven met een korte ‘ .. ’, en zette daar mijn gevonden beeld van hoop-zonder-wan / de Dalí-foto bij.

Humpty Dumpty

Humpty Dumpty sat on a wall
Humpty Dumpty made a great fall
And all the King’s horses
And all the King’s men
Couldn’t get Humpty Dumpty together again.

**

Humpty Dumpty mistrusted his paunch
A perfect promise is what the Queen saw
The fall was averted
The fall was undone
For the Queen would never
have left Humpty Humpty alone on a wall.

I.D.