Cliché?

Een verhaaltje met twee kanten om daarmee ironisch, satirisch of simpelweg dubbelzinnig te zijn. En dat nog meer lagen krijgt wanneer je het betrekt op bijvoorbeeld je eigen situatie, een associatie, of op de actualiteit. Zo heb ik een grap wel eens beschreven als een samenval van factoren die een situatie of voorstelling ervan plotseling tot ‘echt leuk’ kan transformeren du moment dat je de bijzondere samenhang ziet. 
   De lach: een teken van verbinding. Een lach ontstaat op het moment dat je van enkele elementen opeens een heldere, transparante constructie maakt – Een 3D-model van een tesseract of -klik!- zo’n huisje, gemaakt van kastanjes met satéprikkers aan elkaar; humor ontstaat bij de gratie van het door jou gelegde verband. Een goede grap is organisch, is multidimensionaal. 

‘Een implosie op het punt dat je onmacht op de spits wordt gedreven’, zo beschreef ik huilen ooit. Misschien dat we in plaats van spits dan beter van een dieptepunt kunnen spreken; daar waar je onmacht de bodem bereikt… en dan nog een stukje dieper zakken, alsof de vloer op dat moment breekt. Even ga je aan onmacht ten onder, geef je je over aan wat je niet (of misschien maar al te goed) begrijpt. Zo begint ook huilen op ‘samenval’. Onrecht, kwaad of hartgrondige pijn; de duiding ervan als zodanig heeft met jou te maken; met wat jij in de situatie herkent.
  Vlak voor je in huilen uitbarst bevind je je in een hoek gedreven, teruggeworpen in een punt: Er is even niets dat je kunt doen om het beter te maken (of je ziet het even niet). Deze vorm van ontroering, beroering van wanhoop bedoel ik dan, is niet: de touwtjes van de rede lijdzaam uit handen geven, nee, dit soort ‘samenval’ wringt jou uit. Tranen, zoals ik het eens beschreef, zijn het onbeholpen bijproduct van een teveel aan emotie dat zich heeft samengebald in een punt.  
  Lachen en huilen, de fenomenen doen zich voor wanneer je emotie de overhand neemt. Beide reacties een transformatie: niet de gebeurtenis maar zijn 
betekenis die tot zo’n mini-uitbarsting leidt.

Binnenstebuiten
Je hebt het vast wel eens ervaren toen je je aan de lachende kant van het spectrum bevond: hoe je plezier, je geluk in een moment zó groot konden worden dat je er emotioneel van werd; hoe je geluk zich dan opeens binnenstebuiten leek te keren en kon raken aan je verdriet.
  Ook aan de uiterste kant van de wanhoop zit er zo’n ommekeer. 
Want hoe onvoorstelbaar het in het holst van je treurnis ook moge lijken; een huilbui, daar blijf je zelden in hangen, daar kom je altijd wel weer uit. Omdat we ons nou eenmaal door de tijd bewegen en beweging moet érgens naartoe; ook de huilbui gaat uiteindelijk over en tears dry on their own.

Zo beweegt emotie naar twee kanten: met de lach wordt een nieuw verband gelegd – dat in zijn betekenis soms zó groot kan worden dat het implodeert in je borst. Gedreven worden tot tranen is een wringende beweging, vernauwend tot in een schijnbaar doodlopend punt – waar je toch als vanzelf doorhéén zal draaien, als door de hals van een fles op de kop gehouden, weer weg van het verdriet.
   Zo zie je; geluk en verdriet, ze liggen soms erg dicht bij elkaar.

   Wat zeg je nu, beste lezer, vind je dit een cliché?
Een cliché: een zinsnede die door ons is platgeslagen, zoals een pad werd platgetrapt. En zin die te veel, te vaak, te ijdel -of gewoon te onnadenkend- wordt gebruikt. Ik heb hierboven de ommekeer in onze emoties willen beschrijven, aandachtig en van binnenuit. Hoe kom ik dan toch uit op een cliché?

Foodtrucks & Coldplay
Laatst waren de Rollende Keukens in town. Kom mensen, buren, mede-veertigers en je gezinnen, dat wil je niet missen, want daar hoor je bij!  En in plaats van deze avond in de keuken te staan, stond je gedwee eerst voor plastic muntjes en vervolgens voor je bosje Corona’s in de rij.
  En je kunt er nog zo minachtend voor weg willen draaien, ‘cliché, dat slaat niet op mij’, als Coldplay instart en daarmee wat ooit zijn lievelingsnummer was door het zaaltje klinkt, sta jij toch ook vanuit je tenen te janken op de begrafenis van een ‘te vroeg overleden’ vriend? 
   Ja, zeg jij als lezer, dat is logisch, lijkt mij. En zo’n foodfestival, dat is toch gezellig. Hoezo ben ik opeens clichés aan het minnen of -achten; zeg Mindchocolate, je praat een beetje tegen jezelf.

   Je hebt gelijk, beste lezer. 
Als ik kijk, zie ik een soort entropie. Ik zie mogelijkheden en daar zoom ik soms even op in, al zwevend langs jouw verschijningsvorm, terwijl je staat te treuren (of) met al je buren in de rij. 

Zelf denk ik trouwens óók dat we niet al te minachtend moeten doen over clichés. 
   En dat deze ons kunnen helpen om dingen in groter verband te begrijpen; ik snap ook dat je je daar, als Individu op het schild gehesen, wel toe moet zetten om dat zo te zien. Laatst hoorde ik mijzelf de warmte beschrijven als een deken die over je heen valt als je buitenkomt. En ik bracht zomaar -onnadenkend?- iemands huwelijk met een bootje in verband! Maar iedereen weet in een ooropslag wat je bedoelt; geen enkel misverstand. Clichés, oké – ze moeten misschien wel een beetje smakelijk zijn geschreven – je kunt ze ook als waardevolle gemeenplaats, als een handig stukje code zien. Dat verdriet en geluk soms dichtbij elkaar liggen, ze zeggen ze zeggen ze zeggen, ze zeggen het niet voor niets.

Achterkant
Maar dan zit ik niet aan zo’n houten tafel met een zonnebril in mijn haar. Dan ben ik de maker van de insta-post over mensen die als deeltjes clusteren en er een feestje van maken – een feestje ondanks zichzelf.   
   Ik bekijk dit soort taferelen graag van de achterkant. Bestaat er natuurkunde zonder menselijke betekenis? Ja, wat zíjn ‘eigenschappen’ als je het hebt over deeltjes; wat is de oorsprong van ‘deeltjesgedrag’?   

 Waar twee kanten van een spectrum zomaar kunnen grenzen aan- of overgaan in elkaar; dus die binnenste-buitenkeer-beweging van geluk naar verdriet en daar weer doorheen; kan het ‘soms-dicht-bij-elkaar’-cliché ons soms iets vertellen over de wereld, het bestaan waar we deel van zijn? Als het spectrum van emoties aan zijn uiterste kanten kan ‘omrollen’ zoals ik beschreef, omdat beweging nou eenmaal niet zomaar stopt, wat gebeurt er dan eigenlijk wanneer een fysisch deeltje, als we het volgen in zijn beweging, ineens uit beeld verdwijnt – omdat het in afmeting te klein, of de afstand te groot is geworden; in elk geval wanneer het lijkt te zijn verdwenen over de rand van ons zicht?  

  Wie zegt, dat terwijl wetenschappers het deeltje dan microscopisch achterna proberen te kijken, of telescopisch proberen in te halen in de tijd, dat het deeltje zelf niet allang weer is verschenen aan de áchterkant van ons zicht? 

Nee, dan zit ik niet aan zo’n houten tafel. Maar verdomd, for some reason ben ik hier ook! Misschien dat ik mij toch ook wel zo’n deeltje mag noemen, met nét genoeg eigenschappen gemeen. Dat is dan het moment dat ik, zo in de periferie van het stelsel, een stukje schrijf over clichés.