Iets zeggen

Wij, twee goed bevriende vrouwen, gingen om uit te waaien naar zee. Alwaar wij elkaar, door de wind die nog in onze eigen hoofden waaide, even niet konden verstaan.

‘Zeg ‘es iets’, kreeg ik te horen, ja. Want toen ik dit signaleerde, viel ik pardoes stil. ‘Je zegt helemaal niets,’ en met die woorden strandde ons gezellig midweekje aan zee.

Nu, een aantal weken na onze twist, kreeg ik vanzelf weer zin om iets tegen de ander te zeggen. Maar tot mijn eigen ongenoegen bakte ik daarvan: ‘Ik kan echt niets bedenken om te zeggen zonder dat ik het allemaal erger maak’.
   
Was het dan beter om maar niets te zeggen..?

…Een mooi moment van overwegen waar dit stukje om begon. Eens even goed te kijken naar wat ik dan zou willen zeggen en ook naar het waarom. 

Beginsel
Een jarenlange vriendschap is als een draadloze verbinding. Een verbond, zo je wil, waarin de noodzaak om die onzichtbare lijn te onderhouden als beginsel beklonken ligt. Vriendschap is, net als gezondheid, iets dat kan blijven, zolang je de grondbeginselen ervan in ere houdt.
   De lijn onderhouden, of ‘de lijnen open houden’, ja, dat is natuurlijk wat ik wil! En ‘on speaking terms’ blijven, daar is iets zeggen toch het uitgesproken beginsel van.
   Maar… wilde ik door iets te zeggen alles erger maken, dan?
   Geen sprake van!

Termen-van-wel
Dus om iets te zeggen nam ik de aanloop even opnieuw: Ik pakte de eerste zin die met de woorden ‘niets’, ‘zonder’ en ‘erger’ was geformuleerd in termen-van-niet en probeerde hem te herzien. De zin ‘ik kan niets bedenken om te zeggen zonder dat ik het allemaal erger maak’ vertaalde ik naar termen-van-wel. Dat werd: ‘Ik wil iets zeggen om alles goed te maken’.

Maar ook die zin kon ik vervolgens even kritisch bekijken, want: wat klopte hier eigenlijk van? Wilde ik inderdaad iets zeggen om alles goed te maken, dan?
   …Niet per sé, was mijn conclusie.
Bovendien, om alles goed te maken zou ik naar woorden moeten zoeken die ik ‘vanzelf’ nog niet vond. Die woorden zouden gezocht zijn dus, of noem het bedacht… En, ojee, zou ik dan door zulke woorden te zeggen alleen maar uit zijn op effect..?
Hoe dan ook, mijn oorspronkelijke openingszin vertalen naar uitsluitend termen-van-wel; dat streefde zijn doel een beetje voorbij.

Zo kwam ik -als vanzelf- uit op mijn ‘wil van het moment’:
Ik wil nu graag iets tegen de ander zeggen.
   Wat dan? IETS!
   …Waarom?
Niet om zout in de wond te strooien en ook niet om zand erover te doen. Gewoon iets zeggen opdat de ander wat van mij hoort! Misschien, zo dacht ik, maakt dit het in beginsel toch al een klein beetje goed.

***