Plas voor je leven

De sombere stoet verdeelt zich weer over de weg. Een man buigt af, alleen, richting de poort van het park. Een kort verhaal.

Met behoedzame passen betreedt Hans het park. Hij moet de kunst van het wandelen afkijken bij de wandelaars op het parallelle pad. Dat hij hier nu loopt, na lange tijd, zo, los en weer vrij en dat niemand op de hele wereld nu weet waar hij is, verwondert hem maar licht. Zijn Janne is dood en werd zojuist begraven.

De aangelegde watervalletjes in de vijver geven een bescheiden, met elke pas aanzwellend geruis dat het nét niet haalt tot zijn aandacht. Hans is verdoofd. Toch wordt hij er steeds vanuit de verte door geroepen. Wat hem met name alert kan maken voor… de bomen in dit park.
Hij moet plassen.

*

Wat een pracht! Het weelderige herfstbladerdek en die stil warrelende stukjes bladgoud in de lucht. Wat moest het heerlijk zijn om je hoofd te draaien, mee te waaien met langssuizende meeuw en een enkele spreeuw, …als hij maar niet zo moest plassen. En de ballen van de plataan die aan de onderste takken trekken, brengen hem enkel weer tot besef van zijn prostaat – dat de laatste tijd om doktersaandacht vraagt.

*

Toen zijn Janne nog normaal was, was zij dol op wildplassen. Op zijn bedenkelijke blik als zij weer eens neer wilde zijgen in het struikgewas, kwam altijd: ‘jij doet het toch ook?’ waarmee zij bedoelde: mánnen doen het toch ook? Hijzelf moest er niet aan denken. Maar waarom zouden vrouwen dan niet mogen wildplassen, hield Janne aan. Wél in de natuur natuurlijk, zei Janne, want begrijp het niet verkeerd, in de stad vond zij het ook voor mannen niet kunnen. Daarom gaf Hans haar vrij gemakkelijk gelijk in haar pleidooi voor vrouwenrecht op wildplassen. Mits… deze discussie plaatsvond zo vér mogelijk verwijderd van het moment dat die twinkel in haar ogen verscheen waarmee zij het liefst ter plekke haar rokken optilde voor een briesje langs haar billen.

Ondanks het gedoe, plekje zoeken – geen braamstruiken, geen brandnetels, geen slangen, geen mieren – en niet tegen je sokjes proberen te plassen, was Janne er erg handig in geworden. Door de jaren heen was dit uiterst drempelverlagend gaan werken op hun zondagse wandelingen. Hans was Janne er van gaan verdenken ook gewoon lekker in de buitenlucht te willen plassen als zij niet eens zo nodig moest.

Het liefst wilde hij dan persoonlijk haar bleke billen afschermen voor de wildspotters, terwijl hij tegelijkertijd nóg liever zo ver mogelijk bij haar uit de buurt wilde staan om maar niet de indruk te wekken dat dit loslopend wild bij hém hoorde. ‘Zo’n koene ridder op de uitkijk werkt alleen maar drempel-verlagender,’ grapte zij ooit, zijn lieve, levendige Janne met haar eens zo vrolijk klaterende lach.

Jee, wat moet hij plassen.

*
De schaamte voorbij treedt Hans voorzichtig op het gras maar versnelt algauw zijn pas. Verdekt opgesteld bij die boom, tussen stam en laaghangend bladerdek, is hij beschermd tegen alle mogelijke wildspotters op het pad langs de boom of aan de overkant van de beek.

Zijn hand op zijn gulp houdt even stil. Zijn dat voetstappen? Alsof het geritsel van zijn broek op had gekund tegen het geklater van water… waarmee háár stem weerklinkt in zijn verdoofde hoofd. ‘Jij doet het toch ook, ook, ook….??’ Janne die is weggegaan, moedigt haar koene ridder aan.

Dan plast hij.
De eerste plas van de rest van zijn leven.

***

Door Iris Droog | Magonia schrijfcursus oktober 2015.

Sarlat_3